‘Het gemis wordt steeds groter. Je verwacht dat het slijt, maar het wordt juist veel moeilijker’
Ik vroeg haar zojuist hoe ze naar de feestdagen toe leeft. Jaren geleden is haar man overleden. Mijn buurvrouw kijkt naar de grijze lucht boven ons. Schouders gebogen en in haar hand de riem van haar hondje dat kwispelend heen en weer loopt. Ze vertelt dat ze enorm tegen de feestdagen opziet. Ik was even afgestapt onderweg naar mijn werk. Hoe verschrikkelijk verdrietig moet dat toch voelen, verder te moeten leven zonder je maatje. Ik kijk haar aan terwijl ze vervolgt: ‘En je mag gerust weten af en toe, als ik alleen ben, moet ik soms janken’.
Mijn hart, of is het het hart van mijn innerlijk kind, krimpt ineen bij het woord ‘janken’. Er zit een oordeel in, in ‘janken’. Het mag niet dat ‘janken’. Het is aanstellen, kinderachtig of op zijn minst iets wat je even heel snel moet doen. En dan is het over, verder tot de orde van de dag. Met je rug recht en je kin omhoog. Snuit je neus en droog je tranen. Zó dat het janken niet meer te zien is. Want wie wil de sneer ‘jankerd’ van de eigen innerlijke of externe criticasters voelen? Niemand toch?
Ik kijk mijn buurvrouw aan en zeg zacht; ‘Het is ook zo verdrietig voor jou, ik kan me goed voorstellen dat je hem mist en soms moet huilen’. Ik zie dat het haar raakt, het zachte ‘huilen’ in mijn zin. Ze ziet dat haar hondje tegen me op wil springen, trekt het snel aan de riem terug en zegt dan: ‘Ja joh, het is maar even hoor, het is zo weer januari! En hoe gaat het dan met jou?’