Ga naar de inhoud

fietsendrager

    ‘Jongens bindt ‘m goed vast!’

    Onze buurman kijkt met een diepe frons. Hij komt net uit zijn werk. Dat zie ik, want hij heeft zijn werkkleding nog aan en in zijn linkerhand zijn werkkoffer. Hij wijst achter ons: ‘Gister nog, op de A28, de hele bliksemse bende vloog er af!’, hij knikt bezwerend: ‘Jahaa, erg voor de fietsen, maar nog erger voor de wagens die er achter rijden!’

    Wij zuchten. En knikken. Hij wijst nog even en duwt en trekt nog hier en daar: ‘Nou succes er maar mee, het is dorstig weer, ik pak er één!’

    De buurman heeft gelijk. Daarom gingen wij naar de ANWB en kochten een degelijke nieuwe. 

    ‘Heb je er vertrouwen in?’ vraag ik onzeker.
    Hij zucht. ‘Ja die ouwe, hij had een knop kapot en hij wiebelde, maar die kende ik, deze ken ik nog niet!’

    Deze wiebelt minder en heeft zelfs een kiepstand, zodat je in je kofferbak kunt, als de stalen rossen er al op staan. En slotjes, om dieven te remmen. 

    Ik ben bezorgd. Maar we rijden. Dit keer via Brussel, want Luik moet eerst de straten drogen en de tunnels legen. Het is waanzinnig druk, logisch, iedereen moet omrijden. En dan plots zie ik het en weet ik in een flits: Oh nee, we zijn vergeten de rode kiepstandhengels vast en terug te zetten. De trekhaak draagt met moeite het rek met de gekapseisde fietsen. Paniek in de auto, althans bij mij. Bertus zit achter het stuur en oogt cool. We rijden links, vierbaansweg, door de drukte kunnen we niet naar rechts. Auto’s claxonneren. Bertus blijft kalm. Ik gil, of is het slechts een kreun? Niemand gaat aan de kant. Ik gebaar en wijs door het open raam naar onze fietsen. De chauffeur rechts naast mij wijst naar zijn voorhoofd…. ‘Ja ik weet het we zijn gek, dit is een risico wat we niet mochten nemen! Voor al die wagens achter ons. Ik hoor in gedachten onze buurman. Waarom sprak hij over wagens en niet over auto’s? In slowmotion zie ik in mijn achteruitkijkspiegel de eerste fiets met de handvaten en de bagagedrager op de weg vonken maken. Ik geloof, nee weet nu dat dit nooit goed afloopt. De paniek in de auto lijkt zich nu ook op de snelweg en in andere auto’s te manifesteren.

    ‘Esther! Esther! 

    Moet jij nog plassen en wil je koffie?’

    Verbaast kijk hem aan, met mijn hart in mijn keel. Mijn hemel, deze hartslag is niet goed voor een mens. En lieve help, hoe kun je je nú druk maken om mijn toiletgang of caffeine-kick? 

    Hij herhaalt zijn zin nu iets zachter: ’Zullen we bij het volgende station even stoppen?’

    Ik kijk door mijn achteruitkijkspiegel en zie ze wiebelen. Fier rechtop, strak in het gelid.
    Ik zucht verlicht. 
    Ik droomde. 
    Zak terug in mijn stoel en bedenk me weer:

    Angstige gedachten, ze zijn soms niet te verdragen.