Het is zaterdag. Loom loop ik in mijn ochtendjas de trap af naar beneden. Via de hal naar de woonkamer. Achteloos blader ik door de post die ik net bij de voordeur op de grond trof. Ik slof naar de keuken. Ik voel me traag. Ik mis kleine B. Ik mis zijn enthousiaste ‘goedemorgens’. Kleine B is dood. Echt hartstikke dood. Geen gestrijk meer langs mijn benen, geen gemauw meer bij het aanrecht, geen lieve kattenknipoogjes meer, geen gespin en geen irritant gedraal meer voor mijn voeten.
Ik druk op de koffie en kijk door de post. Bank, Bank, Goed doel, Reclame en een dikke brief met hanenpoten. Van wie? Voor ons. In wilde letters lees ik:
voor Bertus en Esther
Ik kijk op de achterkant. Geen afzender. Ik steek mijn vinger in het hoekje waar de rand niet dichtgeplakt is. In een beweging scheur ik de enveloppe open. Het papier snijdt in mijn vinger. Auw. Het bloed een beetje. Met mijn rechter wijsvinger in mijn mond haal ik ongemakkelijk met de andere hand de inhoud uit de enveloppe. Er vallen stickers en sterren uit. Hoekige geknipte rode hartjes. En tekeningen, ik herken de lieve kop van kleine B in de kindertekeningen. De meisjes hebben ook hun best gedaan. Tekeningen van zwarte katers met grote poezen-ogen. Ze lijken te huilen die grote groene kijkers. Tussen alle knipsels en plaksels vind ik een brief, hij is van Renze. Mijn kleine grote neef. Ik lees zijn 11-jarige handschrift. Het begint met ‘Lieve’ en dan volgen zijn herinneringen aan kleine B en dat hij goed snapt dat wij hem na 17 jaar gaan missen. Dat hij dat ook gaat doen.
Ik sta stil, neem een slok, en nog een. Ik slik en slik.
Kleine B is dood. Echt hartstikke dood.