Ga naar de inhoud

tuin

    Met zijn vijf kinderen en zijn vrouw bewoonde hij zijn huis met riante tuin. Een weelderige, idyllische tuin. Met een gedeelte voor groente en mooie fruitbomen. Een zwembad met een heuse glijbaan. Om de tuin een stevige stenen muur, vanwaar achter de hele dag blaffende honden klinken. Gegil, soms krijsen. Het voortdurende monotone brommende geluid van industriële ovens. Twenty-four seven. Vanuit de tuin is een enorme grote stenen pijp te zien. Dikke zwarte rook kleurt de lichtblauwe hemel donker. In de tuin spelen de kinderen met hun vriendjes. Kreten van plezier vullen de lucht in de tuin, aan deze kant van de muur.

    Toen ik de film over de familie Höss had gezien was ik behalve zwaar onder de indruk, vooral verward. Geschokt, niet door de beelden uit het concentratiekamp Auschwitz, aan de andere kant van de muur. Want die toont de film niet. Geen uitgemergelde lichamen in dunne grauw gestreepte gevangenis kleden en kale schedels boven doffe ogen. 

    Dat maakt de film zo treffend: in beeld de schoonheid van het onbezorgde leven in de tuin van de kampcommandant, vanachter de muur alleen het geluid van gruwelijk onvoorstelbaar lijden.

    Ik had me al eerder afgevraagd hoe je als mens je het aan kunt zien: de marteling, onderdrukking en de dood, en vooral hoe je er aan mee kunt werken?! Maar na het zien van deze film was ik verward. Hoe konden de echtgenote, een moeder en haar kinderen leven in de wetenschap dat er achter de muur van hun tuin de meest verschrikkelijke dingen gebeurden? Hoe krijg je dat recht in je hoofd? Hoe kun je vrolijk lachen, leven, eten en slapen, terwijl er op enkele meters het meest verschrikkelijke gebeurt.

    Ik was ontzet en besloot dat het onbegrijpelijk idioot en onwaarschijnlijk gestoord was.

    Tot ik in een schok besefte: het is nù! 

    De tuin is nu veel groter en wij wonen er. We leven, fietsen, genieten van de zomer, de zon, een ijsje of een biertje op het terras. En ‘s avonds slapen we kalm in ons schone bed in ons veilige huis. Maar achter de muur moorden en martelen mensen in een mensonwaardig genocidaal systeem. Een genocidaal systeem dat veel groter is dan het gruwelijke Auschwitz. Hele landen zijn kampen geworden, waarin mensen en kinderen vernederd, verkracht, vernietigd en gemarteld worden.

    Wij zijn geen kampbeulen, zoals Rudolf Höss. Nee, wij vermoorden geen miljoenen mensen. Maar wij zijn in onze hedendaagse werkelijkheid zijn vrouw de Hedwig van toen. IJzersterk in cognitieve dissonantie. Ik moet onwillekeurig aan Marjolein Faber denken, die gevoelloos spreekt over kinderen van vluchtelingen of gezinnen verborgen in kerken. Koud , kil, en zelfzuchtig. Ik kan het heel goed bij een ander zien. Maar ik zie nu ook ons, mijzelf zitten in de tuin van het Westen, in de zon met bloemen, vogels en een moestuin. Aan deze kant van de muur.

    (Foto uit de film ‘Zone of Interest’, gebaseerd op feiten en het waargebeurde verhaal (uit vertellingen van drie van de vijf kinderen) Rudolf Höss leefde met zijn gezin 3,5 jaar in een huis wat direct naast het concentratiekamp Auschwitz was gebouwd)