‘Kijk nou eens!’ roep ik naar grote B. We zitten in de auto op de A1, op weg naar ons huisje in het bos. Ik toon de twee bosjes haar in mijn beide handen. Gelijk weten we:
hét is zover.
Vrijdag schreef ik nog dat ik er niet tegen op zag, maar nu op zaterdag, voel ik toch wat ongemak in mijn buik. Bertus zucht even achter zijn stuur.
‘Ik ga de buurvrouw vragen’, opper ik, ‘voor een ’tussenfase naar kaal’ ’. Goed plan besluiten we. De buurvrouw is kapster, maar haar dochter heeft Corona, dus helaas toch geen goed plan. Ik aai wat over mijn hoofd en zie de vlokken haar rond me neer dwarrelen. ‘Jij moet het nu maar helemaal doen Bertus’, zeg ik met meer moed dan ik voel, ‘helemaal eraf’. Ik verbaas me over de trilling in mijn stem.
Eerst een ommetje, nog even uitstellen. Maar dan toch op het krukje voor de spiegel in de badkamer. Mijn lief, zijn hele volwassen leven al in de weer met de tondeuse, gaat liefdevol aan het werk. De krullen dansen langs mijn schouders naar de grond en plots rollen er ook tranen. Bertus glimlacht en zegt: ‘het staat je echt mooi!’
Nog meer tranen…

Nu zit ik met mijn hoodie over mijn hoofd, want wat is het zonder haar koud!
We stonden net samen, armen over elkaars schouders, voor onze andere buren. Grinnikend zei ik tegen hen: ‘Mag ik jullie even voorstellen: Buurman en Buurman!’

(tekening Buurman en Buurman, door Ria Marinussen)