Ga naar de inhoud

de beuk

    ‘Het was met jou meer wachten dan wandelen’. Mijn moeder vertelde het verhaal toen ik wat ouder werd herhaaldelijk. ‘Toen je een peutertje was, was wandelen met jou gewoon onmogelijk. Iedere boom die we tegenkwamen moest jij uitgebreid een knuffel of een kusje geven. En je maakte geen stiefkinderen, echt elke boom kwam aan bod’.

    Bomen knuffelen. Waar die drang vandaan kwam kon mijn moeder mij niet vertellen.

    Vandaag voel ik het weer. Die drang. Vier-en-vijftig-jaar later. Ik loop op een mul zandpad in een fijn Twents bos. Links en rechts zie ik Eiken, Beuken, Berken en Dennen. Reusachtige exemplaren en kleine jonkies. Ik sta stil bij een Beuk. Vol bewondering raak ik zacht haar gladde bast die toch ineens ruw voelt. Ik schrijf ‘haar’ want Beuken zijn voor mij de vrouwen in het bos. Daar waar Eiken voor mij mannen zijn en berkjes onzijdige jongelingen, zijn de Beuken vrouwen. Geen idee waar ik dat vandaan heb, maar een bos is net een gezin. Daarom hou ik denk ik ook zo van een gemengd bos. Ik voel me er thuis tussen al die verschillende identiteiten.

    Ik hou van bomen, maar het meest van Beuken. Ze vrolijken de somberte in de donkere sfeer van de Dennen op. Ze geven luchtigheid naast de zwaarte van de Eiken. En lijken moederlijk naast de kleine dunne Berkjes. Haar blad is mooi rond, soms warm rood, soms fris groen, en het heeft lieve kleine zachte haartjes. Als je goed kijkt zie je dat een beuk omarmd. Wijds, grote dikke armen die uitnodigingen en ruimte geven. Onder de beuk groeit vaak helemaal niets. Dat vind ik wel bijzonder. Maar daardoor word je in je aandacht in het kijken ook niet afgeleid. Het gaat om haar!

    Ik kijk om me heen. Er is hier niemand. Ik ben alleen. Zal ik? Het lijkt alsof de Beuk knikt: ‘Toe maar, kom maar’. En dan sta ik ineens in een omarming met een beuk. Ik voel het stromen. Ook over mijn wangen. Warme tranen voor de Beuk.