Het was ergens tussen vijf en zes. Ik was alleen. Op kantoor puzzelde een collega op de administratie. De winkel was strak. Een bijzonder moment: er was niet zo veel te doen. Ik stond te wachten op een klant en zocht een klusje.
‘Juffrouw!’
Ik zie een man in een lichtbruine regenjas, twinkeling in de ogen en een vriendelijke lach achter de snor.
Ik denk gelijk: ‘wie bent u?!’
Maar in plaats van die vraag te stellen bied ik mijn hulp aan.
‘Wat kan ik voor u doen?’
‘Ik heb een heel lijstje, wilt u me helpen?’ Hij pakt een mandje en geeft me zijn lijst met boodschappen.
Wat volgt moet voor een toevallige voorbijganger een koddig tafereel zijn geweest. We schuifelden samen van vak naar vak. Ik las steeds de volgende wens hardop van het frommelige papiertje, wees aan, meneer koos en vulde zijn mandje.
En ondertussen dacht ik en zocht ik in mijn brein:
‘Wie is toch deze man?!’ Hij heeft een onrustige wat rode huid, niet zo heel groot, beetje stoffig….
Ik hielp hem vriendelijk en vlot, en vroeg me ondertussen ook af waarom hij zó éigen en tegelijkertijd zó ver-weg voor me voelde?
Alsof het een dans was die we zojuist hadden beëindigt liepen we samen naar de kassa. De producten deed ik in de zwarte, harde degelijke fietstas. Hij betaalde, bedankte me vriendelijk en verliet de winkel.
Ik staarde hem na.
Wie is hij toch?
Ik haalde in gedachte mijn schouders op en draaide me om…
Toen hoorde ik iets achter mij. Ik keek over mijn schouder en….daar was hij weer:
Hij legt zijn hand op de toonbank, kijkt me vriendelijk aan en zegt zacht:
‘Willem …. Willem Wilmink’
Glimlachend liep hij de winkel uit.
Ik weet niet welk gezicht ík trok.
In elk geval voelde ik me….
perplex!