Ga naar de inhoud

tekenen in 2008

    Tegen de achterwand hangt een zwaar dik gobelin kleed met een houten lijst. Daarvoor zit een kleine man met korte benen achter een groot zwaar donkerrood houten bureau. De man zakt weg in zijn zachte grande fauteuil. Voor hem een stapel papier, losse witte bladen. Diezelfde hoeveelheid papier ligt ook op onze schoot. Wij zitten op kleine houten stoeltjes met hoge rugleuningen en veel te korte zittingen. Zo’n stoel die een actieve houding en rechte rug afdwingt. Ik heb de hakken van mijn laarzen in de spijlen gezet, om van mijn schoot een horizontaal tafeltje te maken. Af en toe glijdt er heel slordig een blad uit de stapel op de grond. Ik probeer die onzichtbaar op te rapen. Naast mij mijn lief. Ik durf niet naar hem te kijken, ben bang dat hij dan iets gaat doen wat hier niet past. Want er is veel van ons wat hier niet hoort. Zo stijf, strak en streng. Heel gewichtig. En omdat we de taal niet kennen, kennen we de regels niet.

    Het is 6 december 2008. We zijn in een klein frans dorp vlak voor Parijs. Gisteravond zijn we hier aangekomen en hebben in een truttig hotel met veel bloemetjes op het behang geslapen. Deze zomer hebben we de knoop door gehakt en hebben we besloten: we kopen het! Het is heel klein, slechts 27 vierkante meter en een patio tuintje van maar 18 vierkante meter, maar wij hebben grootse plannen. En nu zijn we dus hier in het Noorden en niet in het Zuiden, omdat de familie van Monsieur Jean hier woont en graag de overdracht bij deze notaris wilde. Het zijn de kinderen van Monsieur Jean. Meneer zelf is overleden. Zij zitten op 10 meter tegenover ons. Af en toe knikken e vriendelijk.

    Het duurt. De notaris leest alle 56 pagina’s voor. Geen passage, geen zin, geen letter wordt overgeslagen. Bestond er een Franse slag, dan hadden ze hem hier niet uitgevonden. Elke letter, elk thema wordt voorgelezen en tot overmaat van ramp aan ons ook nog uitgelicht. Of we het begrijpen? We knikken als schoolgaande kinderen die bij de bovenmeester op het matje moesten komen. ‘Niets vragen!’ hadden onze Franse vrienden gezegd. Zij hadden de teksten voor ons voorgelezen en een ‘veilige go’ gegeven. ‘Als je iets vraagt, duurt het vier uur in plaats van drie uur!’ en dat hadden wij in onze oren geknoopt. Dus knikten we gedwee ‘we begrijpen het’.

    Naast me hoor ik een grom. ‘Heb jij ook zo’n dorst?’ en ‘Voor zo’n klein huisje zo’n gigantisch tekst, ik moet er niet aan denken wat er gebeurt als je een kasteel koopt!’ ‘ Voor dit tarief heeft hij natuurlijk gedacht wat te moeten leveren’ we draaien op onze stoeltjes. De bipsen zijn inmiddels van hout. ‘Het bureau past niet eens in ons huisje!’ De notaris schraapt opnieuw zijn keel en slaat weer een bladzijde om. We kreunen zachtjes “Oh my God, komt er ooit een eind aan?’ ‘In Nederland was er in elk geval koffie gebracht!’ ‘We moeten straks nog langs de apotheek voor de doorzit plekken’ We onderdrukken onze lach en voelen ons een stelletje pubers die steeds rebelser worden.

    Maar dan komt het moment van tekenen. Opgelucht staan we op en met grote armbewegingen zetten we krachtig onze handtekening. En een punt. Bam. Klaar! De andere partij tekent ook. Zo, wij zijn de eigenaar van Bastidon 29. Hoera het is nu van ons.

    We staan op om te gaan. We kijken de notaris en de verkopende partij aan. Klaar toch?

    Dan de vraag: ‘Hengelo ligt dat in de buurt van Enschede?’ De zoon van monsieur Jean spreekt, enigszins brak, maar toch, Nederlands! We slaan geschokt de hand voor onze mond: ‘u spreekt Nederlands?’

    ‘Ja zeker, ik ben handelsreiziger en kwam vaak in uw land.’

    We kijken elkaar aan en vragen ons hardop en geschokt af: wat hebben we de afgelopen drie uren gezegd in de veronderstelling dat niemand ons verstond?

    De man lacht met een knipoog: het duurde lang he?