“Mag ik morgen met de club mee? Kamperen in Nunspeet? We gaan op de fiets!”
“Op de fiets naar Nunspeet?!” mijn vader verslikte zich in zijn koffie en mijn moeder lachte: “Ja hoor dat mag wel, als je maar voor het donker thuis bent!” ze knipoogden naar elkaar. Hengelo – Nunspeet is 70, misschien wel 80 kilometer, die is voor het donker wel thuis…
Dat ik mocht en dat ik ging, dat telde! Met blije vleugels vloog ik de volgende morgen met de rest, eerst richting Deventer. We trapten over de dijk, over de brug, langs snelle wegen en over keiige straten.
Niemand wist het, hij ook niet en ik misschien zelf ook nog niet. Maar stiekem was ik op hem. De hele club was van de partij. Het fietsen koste ons beslist geen moeite. Onder de brug door fietsten we langs ramen met rode lampen. De jongens joelden. Ik zag alleen vrouwen in ondergoed.
Dichterbij Nunspeet fietste ik eindelijk naast hem. Ik legde mijn hand op zijn linkerarm. We waren druk in gesprek. Ik moest voortdurend kijken, niet naar de weg, maar naar hem. Heerlijk vlogen we samen door het bos, slingerden we tussen de bomen door en over fijne paadjes en dan……
Ineens zag ik hem omhoog gaan en ik, ik vloog omlaag. Ik dacht nog ‘hoe kan dat nou?!’, maar lag in de sloot. Al kijkend naar hem had ik het bruggetje gemist en was ik in de sloot gefietst. Daar lag ik.
Lachend.
Niets deed zeer. Iets had me een zachte landing gegeven. Even later fietsten we verder. Tot we bij de tent waren, daar begon het avontuur aan het Veluwse Meer, waar mijn ouders niet in konden geloven.
Ik wist niet dat ik zo onbezorgd vrij kon zijn.